Begin januari werd bekend gemaakt dat er een nationale staking in het onderwijs gaat plaatsvinden, zo gaan ook scholen uit Utrecht Centrum & Oost meedoen. Er wordt onder andere gestaakt voor meer investeringen voor het onderwijs, zoals hogere salarissen. Liesbeth Verheggen voorzitter van de Algemene Onderwijsbond (AOb), waarvan het hoofdkantoor te vinden is in Utrecht deed hierover de volgende uitspraak: ‘’De aantrekkelijkheid van een baan in het onderwijs is afgenomen. Simpelweg omdat de salarissen door voortdurende bezuinigingen achterlopen bij de markt.’’ Maar is dit wel zo? In dit artikel checken we dit.

Waar is het op gebaseerd?
We focussen ons vooral op de salarissen die achter zouden lopen bij de markt. Deze uitspraak is gebaseerd op de Nota onderwijs met alle details en financiële bedragen, wat van de AOb afkomt. Hierin wordt ter ondersteuning een internationaal onderzoek bij betrokken van OESO. Dit is een organisatie die rijke industrielanden met elkaar vergelijkt.

En klopt het?
De Nota van de AOb geeft aan dat er formeel afspraken gemaakt zijn over de salaris verhouding tussen de markt en het onderwijs. Dit heet de referentiesystematiek. Deze kent als uitgangspunt dat de loonontwikkeling in de markt één-op-één wordt doorgeven aan de onderwijswerkgevers. Er geldt ook dat de kosten voor werknemers die carrière maken, de incidentele loonontwikkeling ook één-op-één wordt door vertaald, dit is het deel van de ontwikkeling van het gemiddeld verdiend loon, dat niet resulteert uit CAO-wijzingen. Dit geldt ook voor de kostenstijging voor de pensioenen en sociale zekerheid. In de werkelijk gaat het anders, het kabinet mag zelf beslissen of ze dit referentiemodel volledig toepassen of niet. In de praktijk wordt het model wel eens aan de kant geschoven. In de afgelopen twintig jaar is de structurele loonstijging elf keer verminderd en vier keer verhoogd ten opzichte van de markt. De incidentele loonontwikkelingen is negentien keer ingekort en vergoeding van pensioenlasten en sociale lasten korten ze ook regelmatig in. Ten slotte gaat het model voorbij dat er een andere samenstelling is in de werknemerspopulatie. In het onderwijs werken veel meer hoger opgeleiden dan in de markt. De bovengemiddelde stijging van contractlonen van hoger opgeleide in de markt stelt daarom stap voor stap het onderwijs op de achterstand. Door deze bovenstaande ontwikkelingen is het verschil tussen markt en overheid groter geworden.
Dit wordt ondersteund met een onderzoek van OESO. Wanneer ze de lerarensalarissen vergelijken met andere hoogopgeleiden werkzaam in Nederland, zien ze dat het salaris van een leerkracht in het primaire onderwijs in 2016 fors achterblijft, namelijk 27 procent. In de bovenbouw van het voorgezet onderwijs is dat gemiddeld 8 procent. Dit is het probleem om jongeren voor de klas te krijgen.

Leraar primair onderwijs
Nederland – 27 procent
OESO-gemiddelde – 14 procent
EU-gemiddelde – 12 procent

Leraar voorgezet onderwijs
Nederland – 8 procent
OESO- gemiddelde – 4 procent
EU-gemiddelde – 0 procent

Conclusie:
De uitspraak ‘’simpelweg omdat de salarissen door voortdurende bezuinigingen achterlopen bij de markt.’’ van Liesbeth Verheggen is waar, uit de onderzoeken is duidelijk naar voren gekomen dat de salarissen in het onderwijs achterlopen bij de rest van de markt.