COLUMN Woensdagochtend, ik heb om negen uur school en probeer in twintig minuten vanaf de Amsterdamsestraatweg naar de Uithof te fietsen. Twintig minuten, tijd genoeg denk je toch? Mooi niet dus, ik ben de deur nog niet uit of ik word al omver geblazen door een stoet fietsende en brommerrijdende asociale mensen die naar school, werk of stage moeten sjezen.

Nu kan ik een heel stukje schrijven hoe verschrikkelijk ik dit soort mensen vind, maar ik moet eerlijk bekennen dat ik zelf nog het allerergste ben, geen kruispunt of stoplicht is veilig voor mij. Ik fiets op mijn groene racer overal doorheen zonder ook maar één keer op of om te kijken naar het verkeer. Rode stoplichten noem ik donker oranje en voorrang geven, daar doe ik niet aan.

Het begint al bij de vier stoplichten rond het Centraal Station en TivoliVredenburg die ik dagelijks passeer, ik heb zo ondertussen van bussen ontwijken een sport gemaakt en heb meerdere tegenliggers bijna het latje laten leggen omdat ik zo snel mogelijk de straat wil oversteken. Als ik eenmaal door dat eerste gedeelte van de route heen ben, gaat het sneller. Bij het stoplicht tussen de Starbucks en de WE fashion op het kruispunt tussen Vredenburg en de Lange Viestraat kijk ik geeneens op naar het Nijntje stoplicht dat ik passeer. Heeft dat stoplicht überhaupt een functie? Behalve als attractie voor toeristen?

Later steek ik over bij de Malibaan. Deze grote weg met veel auto’s heeft niet één, niet twee, maar liefst drie stoplichten op hetzelfde kruispunt. Vandaar dat ik principieel niet op het eerste stoplicht wacht, maar pas bij de tweede of derde gedwongen wordt om te stoppen. De gigantische rij mensen die als een kudde olifanten op z’n langzaamst vooruit beweegt vindt het blijkbaar niet belangrijk om op tijd te komen.  

Wanneer ik eindelijk hartje Oost bereik merk ik dat na het Wilhelminapark (Wat overigens in de spits op het Vondelpark in Amsterdam begint te lijken.)  het eindelijk rustiger is op de weg. Vele mensen zijn al uitgeweken naar de omliggende kantoren, basisscholen en winkels. Vooral na het Rietveld Schröderhuisje lijkt de rust wedergekeerd. Het dagdromen op de fiets kan voor mij beginnen. Tot ik de Weg tot de Wetenschap passeer. Het lijkt of alle studenten van de hogeschool en universiteit via de Wetenschap het Science Park willen bereiken.

Ineens komen er van links en rechts massa’s studenten op de fiets voorbij sjezen. Zij moeten net als ik hun college halen en vinden het ook nog eens nodig om met z’n drieën naast elkaar te fietsen. Er worden bellen en toeters ( van de brommer rijders ) ingezet om alle wegmisbruikers te omzeilen. Persoonlijk hou ik ervan om mijn arrogante blik in te zetten om deze fietsende kwebbeltantes een lesje te leren.

Als ik eindelijk de Heidelberglaan bereik begint meestal de ellende pas echt want een plekje om mijn fiets te stallen is ver te zoeken. Meestal prop ik hem ergens tussen, om hem na een dag zwoegen op school omgevallen terug te vinden. En weet je wat het mooie is? Alle ellende begint dan weer van voor af aan. Want dan begint de avondspits en kan ik al mijn fietsskills weer opnieuw inzetten om binnen twintig minuten mijn huis te bereiken.