Kerst draait voor de meeste mensen om kalkoen eten, schoonfamilie onder ogen komen en de tekst van Last Christmas meebrullen, maar het kan ook anders. Dat bewijst het verhaal van Barend Blankestein. Barend ging Kerstavond 1953 de staat op. Een wijs besluit, blijkt uit zijn verhaal.

Naam: Barend Blankenstein
Leeftijd: 71 jaar
Beroep: gepensioneerd

Al gravend naar herinneringen van vroeger, zit Barend het kleine glaasje jenever dat hij net heeft ingeschonken in de rondte te draaien. Achterover hangend op zijn stoel, neemt hij een klein slokje van het nog kolkende borreltje. Hij begint te vertellen. ‘1953, ik vergeet het nooit meer. Ik was een jaar of 12 en ik ging met vrienden voor het eerst de straat op tijdens Kerstavond. Het was net gestopt met sneeuwen, dat weet ik nog. Op de hoek van de straat waar ik woonde, vlakbij het buurthuis, stond een groot koor verschillende kerstliederen te zingen. Als klein ventje vond je dat natuurlijk reuze interessant, dus wij bleven kijken tot de laatste noten klonken. Het koor bleek van het Leger des Heils te zijn.’ Barend neemt nog een nipje van zijn borreltje en neemt de tijd voordat hij verder gaat met vertellen. ‘In die tijd was het heel normaal dat je van het Leger des Heils op Eerste Kerstdag een uitnodiging voor een kerstdiner op de deurmat kreeg. Aangezien ik het Leger des Heils toch wel een beetje interessant vond, mede door de heldhaftige verhalen die je als kind over het Leger des Heils te horen kreeg, besloot ik om met diezelfde jongens te gaan kijken bij het diner op Eerste Kerstdag. Mijn ouders vertelden mij van tevoren dat de kinderen die mee kwamen eten wel iets moesten doen in ruil voor het lekkere eten. In ons geval moesten wij een stukje tekst oplezen en een klein toneelstukje uitvoeren. Ik weet nog dat het stukje tekst begon met “S’jes op de kraag”, maar voor de rest zou ik het niet meer weten. Het eten was reusachtig lekker en toen wij hoorden dat er ook op zondagavonden lekkere diners waren, besloten wij als klein vriendengroepje de krant van het Leger des Heils, de Strijdkreet genaamd, rond te brengen. In ruil daarvoor konden wij namelijk af en toe op zondagavond eten in het gebouw van het Leger de Heils. En dat is natuurlijk waarvoor wij het allemaal deden’, aldus Barend met een lichtelijke schatterlach en twinkelende ogen. Je merkt aan hem dat hij het leuk vindt om over deze herinneringen te praten. Barend gaat verder: ‘Toen wij eenmaal een paar zondagavonddiners verder waren, en wij de mensen van het Leger des Heils wat beter kenden, werden wij overgehaald om in het dorp te gaan collecteren voor het Leger des Heils. Dit was voor ons natuurlijk heel spannend en wij grepen deze kans met beide handen aan. Iedereen die bij ons in de collectebus wat stuivers gooiden, kreeg van ons De Strijdkreet. Het opgehaalde geld gaven wij natuurlijk aan het Leger des Heils. In die tijd ging het natuurlijk puur om het lekkere eten dat wij ervoor terugkregen, maar achteraf was het uiteraard ook erg goed voor de minderbedeelden die daar ook kwamen om wat te eten.’

‘Een van de vrienden met wie ik dit paar jaar durende avontuur, gestart op Kerstavond 1953, heb meegemaakt, spreek ik trouwens nog steeds. Ik zie hem vaak door de stad lopen en dan roep ik: ‘Ga je nog even collecteren?’ Als wij op die Kerstavond niet de straat op waren gegaan, was deze vriendschap waarschijnlijk niet eens ontstaan. Waar Kerst allemaal wel niet goed voor is’, eindigt Barend met een inmiddels leeg glaasje in zijn hand. Als ik vraag wat zijn plannen voor deze kerstdagen zijn antwoordt hij: ‘Lekker eten, want dat is ook belangrijk’ terwijl hij mij een knipoog geeft.