In de rechtbank van Utrecht moet de heer A. voorkomen die wordt beschuldigd van zware mishandeling. Voordat de zitting is begonnen zit de zaal al aardig vol met publiek, welke vooral bestaat uit rechtenstudenten. Er komt een Somalische man (de heer G.) binnenlopen met een zonnebril op. Hij kijkt de zaal in voordat hij gaat zitten. Naast hem lopen een tolk en zijn advocaat. G. klaagt zijn buurman (de heer A.) aan voor zware mishandeling. Het duurt een paar minuten voordat ook A. de zaal binnenkomt. Hij wordt begeleid door twee politieagenten die hem gedurende de gehele zitting strak in de gaten houden. Beiden zitten aan weerskanten van de zaal. Naast A. komt zijn advocaat te zitten.

A. wordt aangeklaagd voor zware mishandeling. Hij zou bij een vechtpartij bovenop G. zijn gaan zitten en met zijn vuisten herhaaldelijk op het gezicht hebben ingeslagen, waardoor G. het bewustzijn heeft verloren en wonden aan het gezicht heeft overgehouden.

Beide mannen zien er jong en sterk uit. Ze zijn ook beide vader. Hoe komt zo’n mishandeling tot stand? A. beweert dat er aan het incident een veel groter verhaal voorafgaat: “hij heeft mijn familie en mijn kinderen te veel stress aangedaan. Mijn kinderen kunnen door zijn kinderen niet meer naar buiten. Kinderen horen met elkaar te kunnen spelen, maar in plaats daarvan hebben zijn kinderen mijn kinderen bestolen!” De kinderen van G. zouden eerder een telefoon hebben gestolen van de kinderen van A, welke zij in eerste instantie niet terug wilden geven. A. was hier eerder voor aan de deur geweest bij G. om het samen op te lossen. Hier wilde hij geen politie bij betrekken. De sfeer in de zaal is zeer gespannen en de mannen kijken elkaar niet aan wanneer A. zijn verhaal doet. De enkele keren dat A. richting G. kijkt zie je de spanning stijgen. A: “dat wat ik heb gedaan is niet goed, dat is nooit goed. Ik had hem niet mogen slaan, maar ik zou ook niet wachten totdat hij mij zou slaan. Ik zat gewoon in de auto en hij kwam richting mijn auto en wilde mij misschien aanvallen. Ik deed het portier open om hem weg te houden van mijn auto, waardoor hij waarschijnlijk met de fiets is gevallen en daarna heb ik hem misschien een paar klappen gegeven ja.” Het verhaal van G. is heel anders. Ook hij wil zijn zegje doen via de tolk: “Ik ben zwaar mishandeld voor de ogen van mijn eigen kinderen (5 en 7 jaar oud). Ik had die dag dood kunnen gaan. Ik wil dat mijn kinderen veilig op straat kunnen lopen in Nederland, zonder dat ze van achter worden aangevallen. Daarnaast wil ik dat ze kunnen vertrouwen op de Nederlandse rechtspraak.” Deze uitspraken komen bij A. niet goed aan: “Het is niet goed wat er is gebeurd, maar nu zit hij gewoon te liegen! En ik kan niet tegen leugens! Hij zit zielig te doen met zijn zonnebril op, dat hij last heeft van het licht. Maar laat hem gewoon zijn zonnebril afzetten en niet zo zielig doen. Ik ga toch ook niet zielig zitten doen?” A. gaat erbij staan en loopt met zijn armen te zwaaien. Het is duidelijk dat de kwestie veel emoties oproept. Daarnaast beweert G. ook dat hij geen slechte bedoelingen had maar van achter werd aangereden met de auto met zijn kind naast hem, waardoor ze op de grond vielen.” Meerdere ooggetuigen zeggen het incident te hebben gezien en G. op zijn rug op de grond hebben zien liggen, waarna hij meerdere klappen ontving. De Officier van Justitie (OvJ) stelt dat er geen sprake was van noodweer door A. aangezien hij niet werd aangevallen. Daarnaast stelt hij dat er meerdere ooggetuigen aanwezig waren die de mishandeling konden bevestigen. Hij pleit voor twee maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van drie jaar.

De rechter doet uitspraak na beide kanten te hebben aangehoord. Hij doet een uitspraak voor poging tot zware mishandeling, waarbij A. twee maanden onvoorwaardelijk gevangenisstraf krijgt opgelegd met een proeftijd van twee jaar ‘als stok achter de deur’ om de kans op recidive te verkleinen. Daarnaast krijgt hij een contactverbod opgelegd, omdat de rechter bang is dat de mannen opnieuw in een conflict zullen raken.

A. lijkt niet gerust op de uitspraak en krijgt van de rechter te horen dat hij veertien dagen de tijd heeft om in hoger beroep te gaan.