“Jij hebt een hoge dunk van jezelf zeker,” zei de jongen die ik letterlijk 20 seconden geleden had ontmoet. Ik voelde mijn ogen de grootte van schoteltjes aannemen. Hoezo? Omdat ik niet inging op de avances van iemand die me begroette met; ‘zo, zo’ verlekkerd naar mijn decolleté starend?
Ja, ja, arrogantie zelve, dat was ik.

De mannelijke lezer rolt op dit punt waarschijnlijk met zijn ogen. Heb je er weer zo éen, zeurend over al de mannelijke aandacht die ze krijgt. Boo-hoo-hoo.
En ja, ik heb waarschijnlijk ook helemaal geen recht om te klagen. Het is echt een genot om bij elke slechte kroeg ijsklontjes in je decolleté geworpen te krijgen en geregeld een flinke kneep in de bilpartij te voelen. Shame on me. Hoe durf ik ook die broek aan te trekken die heerlijk zit, maar waar mijn bilpartij prominent in verschijnt. Een boerka, die moet ik aantrekken voordat ik de kroeg inloop.

Mijn vertrouwen in mannen nam de week daarna nog wat verder af. “Hallo daar schatje,” fluisterde een zekere heer me verleidelijk toe.
Ik schatte hem in dezelfde leeftijdscategorie als mijn vader.
“Hoi,” was mijn antwoord zonder oogcontact.
Hij schoof dichter naar me toe op het moment dat ik een stap achteruit deed, keek me een aantal seconden aan en zei toen schouderophalend naar zijn vriend in dezelfde leeftijdscategorie als mijn grootvader “laat maar, ze voelt zich te goed voor buitenlanders.”
Pardon?
Natuurlijk, dat was de reden. Ik voelde me weer te goed. Ik ging normaal altijd in gesprek met heren van veertig jaar en ouder. En buitenlanders, getver. Ik kon ze niet uitstaan, ondanks dat mijn vader ook niet Nederlands was, en ik zelf technisch gezien ook in de categorie ‘allochtoon’ viel. Tuurlijk, huidskleur, dat was de reden voor mijn gedrag. Niet het leeftijdsverschil. Niet het feit dat ik überhaupt geen interesse had.

Afgelopen nacht bereikte mijn verontwaardiging zijn hoogtepunt. “Ey schatje!” riep een groep jongemannen me toe vanaf de stoep toen ik langsfietste “Stop eens. We willen even praten.” Ik fietste door zonder enige reactie te geven. Ik weet het, daar had je die arrogantie weer. Niet eens om 2 uur ’s nachts stoppen in een verlaten straat om een praatje te maken met een groepje mannen. Hoe durfde ik.
“Dan niet joh, vuile kankerhoer!” riep de groep me na.
Zo, mijn lesje had ik wel geleerd. Ik stopte niet voor een gesprek, dus ik was natuurlijk een vuile kankerhoer.

Maar wat als de groep me gewoon langs had laten fietsen zonder me na te roepen?
Ik was ze misschien later op de avond tegengekomen in mijn stamkroeg. Ik had misschien een oprecht en leuk gesprek met ze kunnen voeren. Was wellicht zelfs gecharmeerd van ze geweest. Maar nee, dat najoelen, iemand een vuile kankerhoer noemen, een racistische opmerking maken… dat werkt veel beter.