UTRECHT – De 15e editie van de Grote Rekendag heeft dit jaar op woensdag 22 maart plaatsgevonden. Tijdens de Grote Rekendag staat op de deelnemende basisscholen in Nederland en Vlaanderen alles in het teken van rekenen. Het thema van dit jaar was ‘Meten, bewegen en construeren’ en draaide om wiskundige geletterdheid. Voor Ronald Keijzer, wiskundige en projectleider van de Grote Rekendag, was dit alweer zijn 11e editie. 

De Grote Rekendag is een samenwerkingsverband van de Universiteit Utrecht en Uitgeverij Malmberg. Het belangrijkste doel van de dag is dat wiskunde gestimuleerd wordt door op een onderzoekende leerwijze te rekenen. Dit gebeurt volgens Ronald op twee lagen: de laag van de leraren en de laag van de kinderen zelf. “Leraren leren het reken-wiskundeonderwijs wat spannender in te vullen. Met onze open opdrachten kunnen de kinderen zelf aan de slag. Zij leren dat rekenen en wiskunde iets anders is dan alleen maar sommetjes uit een boek maken.” Zelf was hij op woensdag bij bovenbouw van een school in Leeuwarden aanwezig. “Kinderen uit groep zes mochten een bed ontwerpen. Wat ze deden was gewoon hun eigen maat nemen en zo kwamen enkele kinderen op een bed van 1.60 meter bij 30 centimeter, zonder zich te realiseren dat je dan gauw uit je bed valt.’

Dat het LAKS het rekenniveau van jongeren belabberd noemt, vindt Ronald sterk overdreven. “Als je internationaal kijkt, doet Nederland het redelijk goed. We zitten nog steeds zo’n beetje in de top tien. Om het anders te zeggen: we doen het met rekenen veel beter dan met voetbal.” Een internationaal vergelijkend onderzoek waar Ronald zich op baseert, is het PIAAC onderzoek dat laat zien hoe mensen op 25-jarige leeftijd wegkomen met de kennis die ze geleerd hebben op de basisschool en het voortgezet onderwijs. “Daarin is Nederland koploper in de wereld.”

Wel zijn er twee kenmerkende zaken in het Nederlandse reken-wiskundeonderwijs die Ronald zorgelijk vindt. “Ten eerste wordt er te weinig aan nascholing gedaan, dit zou veel meer moeten gebeuren. En ten tweede staan onderzoekende leeractiviteiten, zoals die op de Grote Rekendag, veel te weinig in de rekenboeken. Rekenboeken zijn echt behoorlijk dichtgetimmerd.” Ronald spreekt van een zogeheten ‘Sinterklaaseffect’, als het gaat om het meenemen van het idee achter de Grote Rekendag naar de lessen op school. “Het is allemaal leuk en aardig, maar na dit event gaat men gewoon weer over op de orde van de dag. Dat is hetzelfde met de schooldag na Sinterklaas. Eerst is het een groot feest en de volgende dag is alles weer hetzelfde.”

De gevreesde rekentoets in het voortgezet onderwijs is volgens Ronald het gevolg van een ‘historische vergissing’, namelijk dat het bij rekenen en wiskunde om twee verschillende vakken zou gaan. Rekenen zou volgens hem een doorlopende leerlijn moeten hebben en getoetst moeten worden in het wiskunde examen. Dat het dan voor de hand ligt dat wiskunde op een bepaald niveau beheerst dient te worden, is volgens Ronald vrij logisch. “Je mag verwachten dat zowel het Nederlands, als rekenen en wiskunde een voldoende zijn. Dat is noodzakelijk om maatschappelijk redzaam te zijn?” Dat rekenen in het maatschappelijk debat als te ‘moeilijk’ getypeerd wordt, noemt Ronald een cultuurverschijnsel. “Je gaat met geld om, je kijkt op je klok, je probeert dingen in te schatten. Waarom krijgt dat een speciale lading? Je kan bij taal dingen heel ingewikkeld opschrijven door weinig frequente woorden te gebruiken en moeilijke zinsconstructies te maken, dan haakt ook iedereen af. Taal is net zo abstract als rekenen en wiskunde!”