Wie het zich kan herinneren weet dat 18 maart 2019 een zeer schokkende en emotionele dag was voor Nederland. Op deze dag vond er in Utrecht een aanslag plaats in een tram op het 24 Oktoberplein met drie doden en vijf gewonden. De dader bleek voortvluchtig en het bleef onduidelijk of er nog meer gevaar te wachten stond. In Utrecht werd het hoogste alarmniveau afgekondigd en het werd sterk afgeraden naar buiten te gaan. Diezelfde dag belde en bedreigde de heer H. de Ulu Moskee met onder andere de woorden: “Je spreekt met Allah, ik zal jullie laten branden in de hel.” Vandaag moest H. voorkomen in de Utrechtse rechtbank.

  1. is een forse blanke man van middelbare leeftijd. De rechtszaal zit vol met studenten en mensen die de zaak bij willen wonen. Er is aanzienlijk veel publiek aanwezig. H. loopt zelfverzekerd naar binnen en gaat naast zijn advocaat zitten. Zodra iedereen binnen is begint de rechtszaak. H. wordt aangeklaagd voor een ernstige bedreiging. Op 18 maart de dag van de aanslag, heeft hij de moskee 28 keer gebeld, waarbij hij onder andere de volgende zinnen uitsprak: “Zat die Turk ook bij u in de moskee? Jullie zullen branden in de hel” en “Je spreekt met Allah, ik zal jullie laten branden in de hel” ook riep hij meerdere malen “Allahoe akbar” (God is de grootste). H. is zelf geen moslim.

 

De rechter vraagt waarom H. de moskee heeft gebeld en bedreigd, waarop H. zegt dat hij dit heeft gedaan uit emotie. De terroristische aanslagen die hebben plaatsgevonden in de wereld hebben hem boos gemaakt. Nu dit ook nog eens in zijn eigen stad is gebeurd, waar hij zo lang heeft gewoond en gestudeerd maakt hem woedend: “Ik zit daar thuis in mijn eentje weg te rotten en het nieuws te volgen op de televisie. Nu wilde ik ook een keer iets zeggen. Niemand die naar mij luistert, dus besloot ik de moskee te bellen.” H. vindt de aangifte voor bedreiging overdreven: “zelf ben ik ook wel eens bedreigd of aangevallen. Toen heb ik ook geen aangifte gedaan.” H. heeft een geschiedenis van alcoholisme en agressie. Ook geeft hij aan geen contact meer te hebben met zijn familie en ontevreden te zijn over de hulpverlening die hij door de jaren heen heeft gekregen. De reclassering geeft als advies dat H. onder behandeling moet voor persoonlijke hulp. H. weigert dit echter en geeft aan dat hij al zeker vijf verschillende diagnoses heeft gehad van vijf verschillende hulpverleners en dat ze hem nooit hebben geholpen. De straf die hij zelf verlangt is een taakstraf: “dat lijkt mij het beste, dan kom ik ook weer onder de mensen.” H. blijft herhalen dat zijn alcohol gebruik minder zal worden zodra hij aan het werk kan. H. heeft geen dagbesteding en wilt ook geen vrijwilligers werk meer doen: “het gaat vervelen en is weinig uitdagend.”

  1. zegt niets te hebben tegen moslims, maar wel tegen de Islam: “wanneer ik een akkefietje heb gehad met een moslim zorg ik dat ik de volgende dag gewoon extra aardig ben tegen de kassière met het hoofdoekje in de supermarkt.”

In 2009 was het voor H. zijn laatste keer dat hij in contact is geweest met justitie. De aanslag in Utrecht vormde een nieuwe trigger om terug te vallen in zijn oude gedrag. H. bekent dat hij last heeft gehad van agressieproblemen en alcoholist is. De Officier van Justitie (OvJ): “hier staat dat u per dag soms een kratje bier per dag kan drinken. Maar hetgeen dat mij het meest ongerust maakt is dat u heeft gezegd dat u het liefste dood wilt.” H: “Ja dat klopt, elke dag wanneer ik wakker word denk ik wel aan zelfmoord. Maar als dan uiteindelijk puntje bij paaltje komt… toch niet. Ik sta op, drink een paar biertjes en kijk naar de televisie. Daarnaast blijf ik ook heel er geïnteresseerd in wat er allemaal in de wereld gebeurt.”

Uit de rechtszaak blijkt dat H. wel iets van zijn leven wil maken, maar geen hulp wil ontvangen van hulpverleners, omdat hij hier naar eigen zeggen ‘al het vertrouwen in heeft verloren’.

Het lijkt erop dat de rechter, de advocaat en de OvJ niet zo goed weten wat ze met de situatie aan moeten. Het is duidelijk dat H. op dit moment niet openstaat voor de hulpverlening die is aanbevolen door de reclassering, maar dat hij wel enige vorm van straf moet ontvangen voor zijn daden. Uiteindelijk doet de rechter uitspraak voor een ernstig bedreigingsdelict met een discriminator aspect. Hiervoor krijgt H. dertig uur onvoorwaardelijke taakstraf en één week voorwaardelijke celstraf met een proeftijd van drie jaar als ‘stok achter de deur’ om de kans op recidive te verlagen. Daarnaast krijgt hij een contactverbod met de moskee. Wanneer hij deze overschrijdt zal hij ook een week vast komen te zitten. Het advies van de reclassering om hulpverlening te verschaffen wordt hierbij niet verplicht, aangezien H. kritisch is op de hulpverlening en hier geen vertrouwen in heeft.