UTRECHT – Jaarlijks doet de Universiteit Utrecht onderzoek naar de godsdienstigheid van moslimjongeren. Dit jaar bleek uit het onderzoek dat twaalf procent van de moslimjongeren minder religieus zijn dan hun ouders, evenveel procent is juist religieuzer dan hun ouders. Aïcha (46), die liever niet met haar achternaam in het artikel wil, is de moeder van Sarah (14). Allebei zijn ze islamitisch opgevoed en geloven in Allah. Hoe verschilt de mate van godsdienstigheid tussen Sarah en haar moeder Aïcha?

Om de verschillen duidelijk te maken spreken Aïcha en Sarah zich uit over hoe zij met de vijf zuilen van de islam omgaan. Deze vijf zuilen spelen in het religieuze leven van een moslim namelijk een hele belangrijke rol.

Geloofsbelijdenis – shahada
In de islam is er geen plechtigheid waarmee je officieel toetreedt tot het geloof. Wel hoort de baby als allereerste woorden de oproep tot gebed en de geloofsbelijdenis. Aïcha en Sarah hebben dit allebei gehad. ‘’Ik weet niet hoe het bij mij ging’’, zegt Aïcha. ‘’Bij Sarah ging het allemaal heel snel. Haar vader fluisterde Allah Akbhar, Allah Akbhar een aantal keer en bad. Daarna was Sarah een echte moslim. Ik heb er niet veel van meegekregen. Bij al mijn kinderen is echt iets tussen de vader en de baby geweest.’’

Rituele gebed – salat
‘’Vanaf toen ik zeven was leerde ik hoe je moest bidden en vanaf mijn tiende bid ik echt’’, zegt Sarah. Iedere moslim is vanaf de pubertijd verplicht om vijf keer per dag op vaste tijden bidden. ‘’Door de drukte van school lukt het niet op op de vaste tijden te bidden, maar ik bid in ieder geval wel vijf keer per dag.’’

Aïcha bidt wel op de vaste tijden. ‘’Ik moet wel eerlijk zeggen dat ik toen ik zo oud was als Sarah niet bad. Pas toen ik in Nederland ben gaan wonen ben ik vijf keer per dag gaan bidden.’’ Sarah verbaast zich over haar moeder. Aïcha verplicht het bidden niet aan Sarah. ‘’Ze moet het zelf willen.’’

Sarah wil laten zien dat ze gelooft in Allah. ‘’Ik wil niet zeggen dat ik moslim ben en vervolgens niet de dingen doe die een moslim hoort te doen.’’ Als Sarah een gebed mist voelt ze zich er gelijk schuldig over. ‘’Ik krijg dan een gevoel van schaamte tegenover Allah.’’Aïcha kijkt tevreden en trots naar Sarah. ‘’Voor mij is het heel belangrijk als mijn kinderen het geloof trouw zijn, dan heb ik ze een goede opvoeding gegeven’’, zegt Aïcha.

Armenzorg – zakat
Een moslim moet jaarlijks tweeënhalf procent van zijn inkomen geven aan de armen. Op deze manier laat een moslim zien dat hij zich verantwoordelijk voelt voor zijn medemens. ‘’Ik heb geen geld over, dus dit gaat niet’’, zegt Aïcha. Ze voelt zich er niet schuldig over, omdat je het geld alleen mag geven als je het kan missen. Sarah is nog te jong om geld te schenken. ‘’Maar als ik later geld over heb, dan geef ik het héél graag.’’

Vasten – saum
‘’Op mijn negende deed ik voor het eerst mee aan de ramadan’’, zegt Sarah. ‘’Ik was toen erg jong, dus ik probeerde gewoon voor een zo groot mogelijk deel mee te doen.’’ De ramadan is verplicht vanaf de pubertijd, dus vanaf haar veertiende deed Sarah helemaal mee.

Aïcha deed op haar veertiende voor het eerste mee aan de ramadan. ‘’Ik had het zwaar. In Marokko waren het hele lange dagen en ik had niks te doen.’’ Wel moest ze af en toe naar de waterput lopen. ‘’Bij de put was het lekker koud en fris en kwam ik in verleiding. Ik heb niks gedronken, maar de hele weg terug heb ik aan eten en drinken gedacht.’’ Toen Aïcha thuiskwam dronk ze stiekem een hele kan melk en at een stuk brood. ‘’Daar heb ik nog steeds spijt van. Ik schaamde me toen zo erg.’’ Het hele verhaal kijkt Sarah verbaasd naar haar moeder. ‘’Ik wist dit helemaal niet! Ik zou echt niet durven te eten.’’

Aïcha en Sarah zien de ramadan echt als een persoon. ‘’Het is iemand die een maand lang bij je is’’, zegt Sarah. ‘’Wanneer de ramadan is afgelopen heb ik ook een gevoel van leegte. De eerste keer kon ik dit echt niet plaatsten.’’

Bedevaart – hadj
‘’De hadj meemaken is echt een droom van mij’’, zegt Aïcha. ‘’Het is voor mij ook een droom, maar nog lang niet zo groot als bij mijn moeder,’’ zegt Sarah. Elke moslim die in staat is om op bedevaart te kunnen naar Mekka, daar wordt van verwacht dat die gaat. ‘’Alleen de hadj is zo ontzettend duur’’, zegt Aïcha. ‘’Ik wacht tot de kinderen groot zijn en in de tussentijd spaar ik. Misschien dat ik dan over een aantal jaar kan gaan.’’

‘’We zijn nu allebei denk ik even gelovig,’’ zegt Sarah, ‘’maar jij was toen je zo oud was als ik wel veel minder met het geloof bezig!’’ Daar reageert Aïcha op met dat alles anders was in Marrokko. Aïcha is ontzettend trots op Sarah. ‘’Ik vind het mooi hoe we allebei bezig zijn met ons geloof. Dat is goed voor ons.’’